

SPEECH VAN MARC BOSSUYT
klasvergadering van 11 oktober 2003
Ik ben blij hier te zijn, met zo velen, na zoveel jaren.
Een eerste woord van dank aan de organisatoren, waaronder Marc Van Outryve, onze “primus perpetuus”. Mijn dank aan Marc gaat echter gepaard met gemengde gevoelens, want hij heeft mij opgezadeld met wat toen een “spreekbeurt” werd genoemd en daarin ben ik nooit goed geweest.
Maar enfin, we zullen proberen.
Ik denk de belangrijke vraag waarbij we even kunnen stil staan, op een avond als deze, is de vraag “wat betekent onze collegetijd voor ons nu?”
“Nu” is dus 40 jaar na onze retorica. Wat mij betreft, is dat dan nog op de vooravond van mijn 60 jaar. Het is dus tijd om even achterom te kijken.
Welnu, ik denk dat het college een belangrijk referentiepunt is. Het is de retorica (en niet de universiteit) die mij het referentiepunt lijkt te zijn voor het beantwoorden van de vraag “vanwaar komen we?”. Vergeleken met de universiteit is een groep van veertig een kleine groep. Nu wordt een klas van 40 (zelfs 46 in de derde grieks-latijnse bij Pater Fransen) als pedagogisch volkomen onverantwoord geacht, maar daarvan zijn wij ons nooit bewust geweest. Voor de vorming van onze persoonlijkheid is het college me dunkt belangrijker geweest dan de universiteit.
We zijn van het college vertrokken, gewapend om het leven aan te pakken, maar niet wetend waar het ons heen zou leiden, niet wetend of we er zouden in slagen om onze verwachtingen waar te maken.
En over het algemeen, denk ik, dat we weinig redenen tot klagen hebben en dat, wat we meegekregen hebben op het college, hiervoor heel belangrijk is geweest.
Wat hebben meegekregen? Uiteraard wat kennis (de ene meer dan de andere), enkele vaardigheden, nog meer een wijze van denken, maar bovenal een grote dosis zelfbewustzijn en geloof in eigenwaarde. Laat ons eerlijk zijn, een deugd die ons niet werd bijgebracht is deze van de nederigheid en tot volgzaamheid of onderdanigheid werden we ook niet aangespoord. Er werd ons gezegd dat we alles aankonden, dat we alles kritisch moesten bekijken, dat gezagsargumenten uit den boze waren, dat de meerderheid niet noodzakelijk gelijk heeft en dat we steeds ons eigen oordeel moesten vormen.
Zelf heb ik het altijd vanzelfsprekend gevonden, dat – althans over de zaken waarover ik meende met enige kennis van zaken te kunnen spreken – ik het vormen van de eigen mening niet moest laten afhangen van wat anderen denken. Niet zonder enige verbazing heb ik echter vaak moeten vaststellen, dat velen dat niet vanzelfsprekend vinden, zelfs niet op een niveau waarop je zou kunnen veronderstellen dat er maar plaats zou mogen zijn voor wie zich zelfstandig een mening kan vormen.
Recent publiceerde een oud-Barbarist van de Retorica 1932, André de Staercke gewezen Ambassadeur bij de NAVO, postuum zijn Mémoires over het Regentschap en de Koningskwestie. En in die Mémoires schrijft hij het volgende over het college:
“Het beeld dat me scherp bijblijft is dat van mijn vroegere Sint-Barbaracollege met zijn vuilwitte muren van destijds. Mijn jezuïeten-docenten – met al hun menselijke gebreken en verdiensten van hun orde – schijnen nog steeds [de Staercke schreef dit in 1950!] hun best te doen om de mens waartoe ze me wilden vormen uit zijn bolster te trekken. Misschien geloven ze dat ze hebben gefaald. Toch heb ik getracht om hetgeen ze me hebben onderwezen in praktijk te brengen. Ik herinner me hun stokpaardje. Enthousiasme en een eigen mening, zo luidde het advies van de ene; de liefde voor het ware, zo onderrichtte een ander me; de toewijding aan een menselijk ideaal in een riskant bestaan, zo klonk het van een derde.”
Dat was – in de woorden van de Staercke – de “geestelijke bagage” waarmede hij te maken had met de Koningskwestie.
En ook in onze tijd heeft het college toch wel een paar merkwaardige figuren voortgebracht en niet altijd in domeinen waar men het zou verwachten.
Ik denk bijvoorbeeld, wat ons decennium betreft, in het domein van de muziek aan Gerard Mortier (RB61) (de Munt, de Salzburger Festspiele en nu de Opéra van Parijs) en aan – nu ridder – Philippe Herreweghe (RA65) (Collegium vocale), in het domein van de politiek aan de kersverse Minister van State Luc Coene (RB65) en aan gewezen minister van Ontwikkelingssamenwerking Reginald Moreels (RB67), en in het domein van de sport (wie had ooit gedacht dat Barbaristen zouden uitmunten in sport, weze het dan het sportbeleid) aan Jacques Rogge (RB60) (ondertussen graaf geworden) en onze bloedeigen Michel D’Hooghe (ondertussen baron geworden). Michel is niet de enige van onze klas die “gebaronifieerd” is geworden: ook onze levertransplantator Bernard de Hemptinne heeft die erkenning genoten.
Alles samen hebben we in onze klas een indrukwekkende reeks geneesheren (10), juristen (9), ingenieurs (4), apothekers (3) en dan nog een serie doctors en licentiaten. Ook wie zijn heil niet in het academisch gebeuren heeft gezocht, heeft het er meer dan behoorlijk vanaf gebracht. Dus, wat we op het college hebben meegekregen, kan nog niet zo slecht zijn geweest.
Hierbij wil ik mij toch ook even richten tot de echtgenoten – of zoals dat tegenwoordig genoemd wordt – de “partners” van onze klasgenoten. Dames, u heeft het natuurlijk uitzonderlijk goed getroffen. Ik ben zo vermetel te veronderstellen dat u dat ook vindt. Wat u mogelijk soms heeft verwonderd, is dat wij in elk geval vinden dat u het uitzonderlijk goed heeft getroffen
.

Welnu, ook dat vindt zijn verklaring in onze collegetijd. Het zal wel algemeen bekend zijn, over vrouwen en gevoelens werd op het college niet veel gesproken. Sommige onder ons waren hun tijd wat vooruit, maar over het algemeen werd gedacht dat we daar wel tijd zouden voor vinden na het college. Ik herinner mij dat ons eens werd gezegd dat we niet moesten omkijken naar de meisjes van onze leeftijd want diegene waarmede wij zouden trouwen – trouwen was een evidentie voor wie niet naar het klooster ging en bij ons heeft niemand dat gedaan (we wisten blijkbaar al dat we de revolutie van 1968 zouden beleven) – dus diegene waarmede we zouden trouwen, was een meisje van 13-14 jaar waarnaar we toen zelfs niet zouden hebben willen omkijken. Maar, er werd ons bijgezegd dat we ons daar allemaal geen zorgen moesten over maken omdat we wel meisjes zouden vinden die zouden beseffen – en hun moeders nog meer – dat trouwen met een Barbarist wel het beste zou zijn dat ze zouden kunnen doen.
Voilà, nu weet u waar deze zelfgenoegzaamheid vandaan komt en hopelijk hebben jullie zich daar niet teveel aan geërgerd. Wij zijn in elk geval blij dat u reeds zo lang met ons lief en leed hebt willen delen en dat jullie vandaag naar de klasvergadering van jullie wederhelften zijn willen komen.
Marc Van Outryve wou eigenlijk dat ik iets vertelde over wat ik in die veertig jaar heb uitgespookt. Dat doet natuurlijk geweld aan mijn natuurlijke bescheidenheid. Ik weet dat het niet geloofwaardig klinkt, maar niettemin moet ik mijn natuurlijke schroom en schuchterheid overwinnen en daarom zal ik bondig zijn. Wie er toch nog wat meer zou over wil weten, moet het dan maar vragen.
Na mijn post-universitaire studies in Bologna en in Genève, ben ik als economisch migrant legaal uitgeweken naar Antwerpen waar een nieuwe universiteit was opgericht. Voor een Gentenaar is uitwijken naar Antwerpen niet gemakkelijk, al hebben ondermeer Marc Van Outryve, François Saverys en Jozef Van Hecke het ook gedaan. Ons eerste contact met Antwerpen op het college was Pater Leus, die naar onze Gentse mening in Antwerpen klaarblijkelijk zwaar besmet was geraakt. Pater Leus zal ik eeuwig dankbaar moeten zijn, want ik ben er vast van overtuigd dat, was hij toen niet naar het college gekomen, ik nooit uit de poësis zou zijn geraakt, althans niet op St-Barbara. En hoe wonderbaarlijk Pater Vandenbunder het ook vond, het is gebleken dat Pater Leus het juist had gezien, toen hij ons met veertig ontving en met veertig doorstuurde naar de retorica.
De integratie in Antwerpen verliep niet gemakkelijk en ik was blij dat ik terug naar Genève mocht en er twee jaar bij de Verenigde Naties kon werken. Daarmee werd ook de basis gelegd om mij sinds 1981 ononderbroken te laten functioneren in VN-commissies mensenrechten. Eerst in de Sub-Commissie mensenrechten, dan in de Commissie mensenrechten, waarvan ik voorzitter ben geweest in 1989 (het jaar dat de muur van Berlijn is gevallen en het jaar dat er ook iets verkeerd is gegaan op het Tiên-a-Miên plein in Bejing), dan opnieuw in de Sub-Commissie en sinds 2000 in het Comité rassendiscriminatie, dat ik nu zal verlaten in de hoop naar de Sub-Commissie te kunnen terugkeren.
In mijn mensenrechtenloopbaan bij de Verenigde Naties heb ik een paar leuke dingen gedaan, zoals een zending naar Mauritanië in 1984 om te zien hoe het er stond met de slavernij, het opstellen in 1987 van het Facultatief protocol over de afschaffing van de doodstraf, een werkdocument in 2000 over de nadelige gevolgen van economische sancties voor het genot van de mensenrechten en een studie in 2002 over positieve actie (vaak verkeerdelijk ”positieve discriminatie” genoemd). Door het behoud van economische sancties tegen Irak af te keuren, geraakte ik nog vóór Louis Michel in ongenade bij de Verenigde Staten, die ik voordien nochtans zoveel als mogelijk in de VN-mensenrechtenorganen heb gesteund. In 2001 heb ik op de Wereldconferentie tegen rassendiscriminatie te Durban één van de twee werkgroepen, elk samengesteld uit delegaties van 170 landen, mogen voorzitten. Het was hectisch, aartsmoeilijk, maar een onvergetelijk ervaring.
Naast mijn leeropdracht internationaal recht op de Universiteit Antwerpen, waar ik nu nog 5 u per week les geef, ben ik van 1980 tot 1985 ook elk jaar les gaan geven in Burundi en/of in Rwanda. Als u het wil, kan ik uren vertellen over Tutsi en Hutu en over de onweerstaanbare charme van Bujumbura. Omdat Kristien ook in Centraal-Afrika niet van mijn zijde wou wijken, kreeg Kristof, die in Genève geboren is, in Butare een zusje, Anneleen genaamd. Als vroedvrouw wou Kristien, die van contrasten houdt, het verschil kennen tussen een bevalling in Zwitserland en één in Rwanda. Dit jaar ben ik in de Paasvakantie met Kristien teruggekeerd naar Bujumbura om er les te geven aan de Rechtsfaculteit en we weten nu hoe het aanvoelt als mortieren en raketten fluitend neervallen op de stad waar je verblijft. En ondanks dat – en ondanks nog zwaardere rebellenaanvallen begin juli – ben ik eind juli er toch nog een week les gaan geven. Je ziet, een Barbarist heeft niet vlug schrik, wat niet wil zeggen dat de genocide in 1994 op de Tutsi in Rwanda mij niet zwaar zou hebben getraumatiseerd.
Als Commissaris-generaal voor de vluchtelingen sinds eind 1987, stond ik nu en dan in de schijnwerpers van de media en heb ik aan de lijve kunnen ondervinden hoe het Belgisch staatsapparaat functioneert of beter dysfunctioneert. In het domein van de asielzoekers vieren demagogie en hypocrisie, twee zaken die ik verafschuw, hoogtij. Ik heb er desalniettemin zeer veel voldoening aan beleefd, maar spijtig genoeg ook grote frustraties. Het grootste genoegen heb ik beleefd aan de samenwerking met Minister Tobback, die als Minister van binnenlandse zaken het tij – althans voor een behoorlijke tijd – heeft weten te keren.
Na negen jaar bleek de tijd gekomen om iets anders te doen. Het toeval wou dat in 1996 onverwacht een plaats van rechter in het Arbitragehof vrijkwam. Het Arbitragehof is ons grondwettelijk hof en, gebruik makend van de afwezigheid van Guy Dubrulle, die advocaat-generaal is bij het Hof van Cassatie, kan ik rustig stellen dat het Arbitragehof het hoogste Belgische rechtscollege is. Het Arbitragehof vernietigt wetten en decreten wanneer het Hof een schending vaststelt van ofwel de bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat en de gemeenschappen of de gewesten ofwel van het gelijkheidsbeginsel. Aldus krijg ik nu de kans om de stellingen die ik in mijn proefschrift over het discriminatieverbod heb ontwikkeld, in de praktijk om te zetten. Daarnaast dient het Arbitragehof er over te waken dat de in de Grondwet gemaakte afspraken tussen Nederlandstaligen en Franstaligen op een correcte en loyale manier worden nageleefd, zoniet komt het samenleven tussen onze twee gemeenschappen op de helling te staan. Het is niet altijd fascinerend, maar het is soms zeer belangrijk en vermits we beslissingen van parlementaire vergaderingen, die het soevereine volk vertegenwoordigen, kunnen vernietigen, moet met die bevoegdheid met de grootste omzichtigheid worden omgegaan. En dat proberen we dan ook te doen.
Beste vrienden en vriendinnen, daarmee zal ik dus wel lang genoeg hebben gesproken. Ik weet dat velen onder u onderhoudend zouden kunnen vertellen over wat zij allemaal hebben beleefd sinds we het college hebben verlaten. Volgende keer zal men het dan wel aan een andere klasgenoot vragen. Ik ben nu mijn ei kwijt en kan beginnen genieten van het zeldzaam terugzien van klasgenoten waarmede we belangrijke jaren van ons leven samen hebben doorgebracht. Laat ons hopen dat we nog voor lange tijd vele klasgenoten op geregelde tijdstippen mogen terugzien. Het gaat u allen goed.
Marc BOSSUYT
_________________________________________________________________
ARTIKEL IN ‘ALLEGRO BARBARO’
“Vrolijk danst het hazenvolkje rond. Wat is het leven mooi!”, of het verhaal van een veertigjarig jubileum van retorica B 1963 op zaterdag 11/10/2003
Ja, schone dagen zijn er nog in ’t leven. Zo’n dag mochten wij, 23 opgedaagde ex-klasgenoten van de veertig “wonderbare kerels” van ReBressie ofte Retorica B 1963, en 10 meegekomen partners samen meemaken op een octoberse zaterdagavond in het Gentbrugse restaurant “het Braemkasteel”. Met veertig man zaten wij inderdaad veertig jaar geleden onze broek te verslijten bij E.P. Daniël Vanden Bunder zaliger, en dat kon, zo vond Freddy Vergote vanuit het “verre” Nederland, niet onopgemerkt voorbijgaan. Een kleine kern werd gevormd van 6 mensen, Michel, Jozef, Freddy en Guy, bijgestaan door schrijver dezes, geleid door een op de achtergrond efficiënt organiserende primus perpetuus Marc Van Outryve, die zelfs zijn lieftallige echtgenote Annemie mee inschakelde. Deze kern vergaderde, mailde, woog en wikte voorstellen, proefde gerechten voor, verzamelde adressen van verloren gewaande schapen, en nodigde uiteindelijk iedereen uit voor de lang verwachte reünie: het was ongeveer 10 jaar geleden.
Het werd, in een gezellig kader, een wandelbuffet met allerlei voorgerechten, gevolgd door een stevige steak, besprenkeld met de nodige geestrijke dranken.Vandaar dat er die dag alvast geen honger of dorst werd geleden, en dat is op zijn minst een understatement. Maar niet van brood alleen leeft de mens, neen, ook woorden hebben we broodnodig, en daarvoor zorgde iedereen tijdens het “wandelen”, waar duchtig en met ieders instemming aan vrolijke partnerruil werd gedaan, en waar de tongen tussen het smakken en smikkelen door lustig taterden, herinneringen op-, en vriendschapsbanden aanhalend. Intussen drentelde ook onze eregast, Miel Houtman, onze beminnelijke en voortreffelijke titularis van de zesde Latijns-Griekse B, zoals die klas 46 jaar geleden genoemd werd, van tafel tot tafel, om overal zijn lievelingsklas, zoals hij ze bestempelde, hartelijk te begroeten. Intussen werden ook oude klasfoto’s bekeken en vergeleken met onze huidige, enigszins belabberde toestand. Daarvoor (voor die foto’s dus) had François Saverys gezorgd.
De stemming ging de hele avond crescendo, en wij stegen een verdieping hoger, om eindelijk rustig te gaan zitten, voor de hoofdschotel en de toespraken. Michel Machiels, sinds jaar en dag onze klasverantwoordelijke, speelde traditiegetrouw de rol van gastheer. Na een ingetogen moment ter nagedachtenis aan de overleden Luc Hoeckman, en het verontschuldigen van enkele eminente afwezigen (waaronder de recent baron geworden voetbalbons Michel D’Hooghe, en zijn grafelijke collega en levertransplantator Bernard de Hemptinne), gaf hij het woord aan Miel Houtman.
Onze klas had hem nooit onaangenaam verrast, zei Miel. Een schalkaard antwoordde: “het is nog niet te laat”. Miel beweerde dat hij zijn goede reputatie te danken had aan ons, omdat wij ooit, bij een mondelinge proef over de verteerde stof in aanwezigheid van o.a. de toenmalige inspecteur, Pater Sprangers, een erg goede beurt hadden gemaakt en hij dus ook. Hij had alleen goede herinneringen aan ons, hield hij vol. Toen Charles opmerkte dat hij niet begreep waarom zo’n lieve man “citroen” werd genoemd, zei ceremoniemeester Michel fijntjes, dat er toen nog geen mango’s waren.
Daarna kreeg Marc Bossuyt, rechter bij het arbitragehof, het woord. Hij wist te vertellen dat wij heel veel te danken hadden aan het college, maar er niet de deugd van de nederigheid hadden opgesnoven. Hij begroette ook de dames, en feliciteerde hen, omdat ze het zo goed getroffen hadden met ons. Vervolgens gaf hij een kort overzicht van zijn indrukwekkende loopbaan, nationaal en internationaal, daarmee zijn opmerking over de deugden kracht bijzettend.
Toen ook de geflambeerde pannenkoeken gesneuveld waren, kwam het afscheid in zicht. Tussen twee happen door wist Miel mij te vertellen dat hij nog steeds de aanhef van een opstel “Herfststemming” van mij kende. Het ging zo: “Vrolijk danst het hazenvolkje rond. Wat is het leven mooi!” Het zou het motto van de dag kunnen worden.
Na de obligate gelegenheidsfoto’s die wellicht ooit een website zullen opfleuren, werden nog e-mail-adressen uitgewisseld, en bij het afscheid zeiden velen dat we nu, in het zicht van het pensioen, de frequentie van deze (zeer geslaagde) ontmoetingen zouden opdrijven.
Moe maar uitermate tevreden reden wij naar huis…
P.S. klasgenoten kunnen zich nog melden als leden op groups.yahoo.com/group/rebressie.
Lieven Merlevede (RB 1963)



